Aanvankelijk gestart buiten de wallen om vreemde, arme pelgrims onderdak te geven. Vanaf de 13de eeuw vestigden de zusters zich binnen de stad en breidden hun werking uit met het verplegen van zieken. De zusters kregen in 1453 van de bisschop van Kamerijk eerste statuten.
Gesticht door Michiel Muys, pastoor van het Gasthuis in 1690, als school voor jonge meisjes.
De Burelen van Weldadigheid moesten behoeftige zieken en bejaarden aan huis bijstaan met geld of in natura. Ze stonden onder toezicht van het college van burgemeester en schepenen.
Ze verenigden het Bureel van Weldadigheid en de Commissie van Burgerlijke Godshuizen.
Deze parochie was verbonden aan de Sint-Margarethakerk in het Begijnhof.
Dit ambacht omvatte verschillende beroepen en stielen, waaronder de kruideniers, de hoeden- en handschoenmakers, enz. (nu kortweg "middenstanders"). Van 173 tot 1795 werd de gildekamer van de kruisbooggilde Sint-Joris, in het Groenhuis op de Grote Markt (nr. 37), ook verhuurd aan de Meerseniers. In 1796, onder het Franse bewind, werden de ambachten afgeschaft en in 1798 werden hun bezittingen openbaar verkocht.
In 1796, onder het Franse bewind, werden de ambachten afgeschaft en in 1798 werden hun bezittingen openbaar verkocht.