Opgericht in de tweede helft van de 14de eeuw. Bedoeld voor twaalf 'oude en onmachtige' wevers, vermoedeld meester-wevers. Later werd aan het godshuis een aparte kapel, de Sint-Jacobskapel, toegevoegd.
Het was bedoeld om bedevaarders van buiten de stad te herbergen. Het bevond zich in het 'Messenstraatje' tegen de Nete. Het omvatte twee werkmanswoningen en een kamer voor arme reizigers. In 1838 werd het door de hospiciën aan de stad afgestaan, afgebroken en vervangen door een loskaai. Stockmans noemt ook het Sint-Jacobsgasthuis als synoniem voor het Rabauwgasthuis.
Opgericht bij testament van Gommarus Baeck op 29 juli 1599. Bedoeld voor zes arme getrouwde koppels.
Het toezicht van het maagdenhuis was toevertrouwd aan de Heilige Geesttafel. Later verhuisde het 'meisjeswezenhuis' naar het ziekenhuis van het Begijnhof (1857). De meisjes verbleven er tot hun 20ste.